5
We leven
er mee - leven we?
Hoe moet het dan
met alle warmte van het binnenste lichaam,
met die zachte armzaligheid
zich overgeven aan de verscheuring
waarin de werkelijkheid werkelijkheid wordt,
waarin
gebeurt
wat iedereen bestaan noemt
bij gebrek aan beter, bij gebrek aan alles?
zwarte
schaduwen
zijn aan de voeten gebonden,
bij elke stap bonkt het hart
een schrede verder, blind.
dit aan
te moeten,
wie schreeuwt niet? wie denkt
dit stap voor stap na
en kan het verdragen?
|
|
6
Naar wat
verdwijnt, verdwijnen
moet, verdwenen is, werp ik
ze uit, de dunne lijnen
in de zenuwen geëtst.
iedereen,
denk ik, iedereen heeft
zo'n dun ontoonbaar bos onder zijn huid,
ijl ratelend, tastend, een leven
verzinnend geboomte, iedereen,
waarmee hij
zich tussen
de levenden begeeft, de ongekroonden.
|