Peter Berger       allemense - stukjes van Peter Berger


          Inhoud                                                                                                 

       


Schoolreisje


Met dit wisselvallige rotweer vol zweet en kippevel en die melige vakantiestemming alom moet ik onontkoombaar aan schoolreisjes denken. Ik weet niet of ze dat nu nog hebben, maar vroeger hadden we dat. Schoolreisjes. Een keer per jaar, dan werden alle dubbeltjes die we dinsdag vr het rekenuur bij het tafeltje van de meester in een doosje met een gleuf moesten deponeren, verzameld; van dat geld werd een bus van de plaatselijke busdienst afgehuurd en van de rest werd koek gekocht, de moeders gaven elk kind een flesje limonade mee en dan ging het, hoera hoera. De moeders kwamen uitgeleide doen, de meisjes zwaaiden, de jongens deden of ze niets zagen, en dan ging het op weg, eerst de vertrouwde dorpsstraten en dan kwam de vrije natuur. Een paar uitslovers hieven geroerd een lied aan, de slijmers. Voorin zaten ze te zingen, van Hoog op de gele wahagen, en De pahaden op, de lahanen in en aan de fietspaden aan de kant van de weg zagen we dunne berkeboompjes, af en toe passeerden we een gezin van natuurliefhebbers, vaders op hoge Fongersfietsen, de rugzak aan de rechte schouders, kuif in de wind, wakker om zich heen blikkend, en in het mulle spoor volgden wat sloverig moeders met 'n kind op de bagagedrager, en de koude pannekoeken in de fietstas. In mijn verbeelding zijn al die schoolreisjes samengevloeid tot twee. De ene is het schoolreisje met het noodweer. Dan was de hemel dicht, het zand van de natuur was klef, en het brood dat we om twaalf uur mochten opkauwen smaakte naar oude griffeldozen. Met natte kleren gingen we dan een van de museumpjes binnen die de vrije natuur gereserveerd heeft voor de slechte dagen van het jaar. Het waren lokaliteiten waarin de curiositeiten van de omgeving op een paar schragen waren uitgestald. Potscherf uit de tijd van de Batavieren, stond er bij het overblijfsel van een bloempot. Dit is een van de stenen bijlen die in ons land werden gebruikt vertelde een kaartje van een steen. Speerpunt, heette een andere steen. Kijk, jongelui, wees de meester aan. Dat is een potscherf. En dat daar, dat is een speerpunt. De regen roffelde op het dak van het lokaal waar die onaantrekkelijke dingen waren uitgestald. Het was verboden de voorwerpen aan te raken. Want ze moesten nog duizend jaren mee, voor duizend jaren met schoolreisjes en orerende meesters en kinderen in natte loden jassen, die dan op hun ene been

.


stonden, en dan op hun andere, aleeuwen lang, terwijl natte bladeren aan de ramen snuffelden. Maar de warme dag was nog erger. Bij Norg stond een hunnebed en als het warm was moesten we er naar toe. Kleverig van de limonade die we al opgedronken hadden en dorstig, keken we naar die grote keien, die daar zo leerzaam in de hete zon lagen. Ze trilden voor mijn ogen, die keien. En als de meester, met zijn brave, magere, roodverbrande hoofd bewogen had uitgelegd dat deze hete stenen 'n graf waren geweest, dan mochten we ons vertier zoeken. De jongens die hun cijfers voor vaderlandse geschiedenis dachten te verbeteren hingen aan 's meesters lippen die voortging te vertellen over die oude, noeste tijden die hier in de moer van de zandgrond verzonken waren. De rest lag amechtig terzijde, te suf om vieze grapjes te maken, laat staan om tikkertje te doen. Kom kom kinderen, riep de meester na het verpozen en dan sulde de klas naar het dorp, waar water uit een melkbus werd aangereikt. Dat was het enige wat we dan nog wilden. Drinken. Ik zal 't nooit vergeten hoe de bodem van de kroes smakelijk door het heldere water blonk, dat was nog eens drinken, het was zwelgen, het was het hoogtepunt van het schoolreisje. Water drinken. En dan werden op een rustige plek in de vrije natuur wederom spelletjes gedaan. Van louter hitte, wanhoop en eenzaamheid kreeg ik een dj vu. Hier, viel als een blikseminslag in mijn warme hoofd, hier heb ik altijd gestaan, in deze met dor hout en overjarige bladeren bestrooide zandvlakte in het bos, en luisterend naar de matte kreten van mijn vriendjes die zich verstopt hadden, want we doen een spelletje. Een spelletje, een spelletje, een spelletje gonst in mijn hoofd, aan deze bosplek zal ik nooit meer ontsnappen, meester, meester. Maar het zand blijft glimmen als de bodem van een kroes door water en er komt niemand, de geluiden gaan verder weg, zandkorrels prikken, het zweet biggelt voor eeuwig over mijn voorhoofd. En terwijl ik nu deze woorden zit te tikken weet ik dat ergens op een open plek in de bossen bij Norg een jongetje staat, met afgezakte kousen en plakkerige haren. Er is niets van hem bekend. Hij heeft alleen een verrekt slecht cijfer voor vaderlandse geschiedenis.