Peter Berger       allemense - stukjes van Peter Berger


          Inhoud                                                                                                 

       


Doornroosje


Af en toe ga ik naar de markt. Niet voor iets speciaals, al neem ik soms wel een goed stuk boerenkaas en een paar gerookte vissen mee. En ik loop ook altijd wel een paar keer langs de kramen waarin stoffen met hartbrekende dessins liggen opgetast, langs de stomende patatkarren, de groentestallen met kisten sinaasappelen, uien en oogstrelende struiken andijvie, en natuurlijk ga ik ook langs de venter die luid zijn bossen bloemen aanprijst, terwijl hij de bossen druipend in het pakpapier sleurt en vaardig oprolt, afrekent en weer doorschreeuwt. Het is mooi, maar daar kom ik niet voor. Het is de rommelmarkt die me trekt. Alles wat betovergrootvaders en moeders op een haastige tocht naar het hiernamaals achter hun lange rokken en wapperende pandjesjassen aansleepten is hier blijven liggen. Het ligt roestig, beduimeld en vuil op de keien. Een klapper voor couranten, oleografieŽn die eens in schemerige hoeken hingen te schimmelen, kleedjes, schilderijlijsten, schalen en schaaltjes en flessen, het ligt allemaal op deze rommelige kusten van de vergetelheid.
De verkopers zitten er rustig en spiedend bij, en bewaken het. Men mag er soms even aankomen, het voorzichtig betasten. Hun ogen volgen waakzaam het gebaar. Meenemen? Want dat mag, tegen inruil van enkele obolen. De rommel met de verwaaide vingerafdrukken heeft een ongelofelijke aantrekkingskracht. Mensen talmen, kijken naar een onuitsprekelijke asbak, zoeken verder in de begeerlijke vuilnisbelt. Er is altijd wel iets bij, dat weer gebruikt kan worden en dat ons oud zal maken, en sterfelijk.

Gisteren nog vond ik er een paar stereoscoopplaatjes. Van die kaarten die, in een speciaal kastje geschoven, het verleden weer driedimensionaal maken. Voor een paar centen waren ze van mij. Ik kan nu kijken in een Victoriaanse salon met grote gordijnen en draperieŽn langs de wanden. In het pompeuze vertrek zitten

.


mannen met bakkebaarden en knevels in geanimeerd gesprek. Op de twee daar rechts na, die in 'n stijlvol gesprek zijn gewikkeld, is men zat. Ladderzat. Op de voorgrond hangt een lange man in een Chippendale-stoeltje, het hoofd achterover, drankfles losjes in de hand. Hij rust daar in vrede, onhoorbaar snurkend. Een ander plaatje toont mij een dame, als koningin Victoria gekleed, in vele, primitief bijgekleurde rokken. In een tuin spreekt zij tot een baardig man met een hoge zije, die geroerd een snuifje tot zich neemt. En door de kieren van de houten omheining gluren twee meisjes met pijpekrullen.
Wat moeten ze daar?
De hemel weet het.
En wat wil zij, die op een ander plaatje van de rode lopers langs de treden naar beneden daalt, kaarsje in de hand, .een witte nachtjapon aan, en het bleke gelaat met de loshangende haren treurig naar boven geheven. Geen antwoord komt meer van daar.
En hier, wat is hier aan de hand? Op de achtergrond zien we een schouwburg, een toneelvoorstelling met hevig schermende mannen, aanschouwd door een veelkoppig publiek. Maar de voorgrond is een kamer. En in die kamer slaapt een meisje, de arm lieftallig onder het krullerig hoofd. Ontspannen slaapt zij op een voetenbank naast de hoge pluche stoel, haar speelgoed, het paardje en de tol liggen aan haar witte voetjes, het zweepje in haar gebeft handje is stil.
Zij slaapt zo zoet.
In de schouwburg achter haar is men doodstil om haar niet wakker te maken. De toneelspelers schermen bevroren.
Geen geluid is meer hoorbaar.
Ook niet als mijn overgrootvader even de deur op een kier opendoet, en die zachtjes weer sluit. Zij moet blijven slapen. Vaarwel.