Peter Berger       allemense - stukjes van Peter Berger


          Inhoud                                                                                                 

       


Boekenbal


Het boekenbal, jaarlijks weerkerend natuurreservaat van in het wild dansende schrijvers, is dit jaar goed uitgevallen. Je zag er tenminste meer schrijvers dan men anders op een willekeurig uur op een willekeurige dag op de Dam ziet, en dat kan van de boekenballen van voorafgaande jaren niet gezegd worden. Kenners zeggen dat het weer bijna was zoals vroeger. En toen ik naast Jan Elburg aan een tafel een drankje stond te kopen, en iemand met een zuur ruikende stem in mijn gezicht blies: "is meneer ook dichter?", toen begreep ik terstond dat ik me dat niet persoonlijk hoefde aan te trekken. De kans dat men naast een dichter stond was immers vrij groot, die avond. Al begrijp ik niet goed, wat die man er mee opgeschoten zou zijn als ik er wl een geweest was. Had hij niet genoeg aan Nooteboom, die met een schel bekje stond te lachen? Aan Mulisch, die Cubabruin in zijn hypermoderne smoking dun en buigzaam in het gewoel stond, glimlachend als een pagodebeeld? Aan Gruyters met zijn verfrommelde avondkleding, die er achter de slab van zijn veelbeffige fantasie-overhemd uitzag als een geniale baby in rok, aan die jonge ouderling Han Lammers, of voor mijn part aan die zanger daar, die de hele avond, ter zijde gestaan door een ravissant paars meisje van zichzelf genietend rondliep met de in de spiegel geboren gebaren van de tenor. Zie hoe hij, vertoevend in de koele luwte bij de vijver, een sigaret op steekt, met een klapwiekend gebaar de manchetten uit de mouwen te voorschijn laat komen als een haan die even de vleugels uitslaat, zijn dasje rechttrekt en weer met een lange, soepele tred naar binnen treedt. Victor van Vriesland zit omwolkt door kennissen achter een tafel, en ruikt zorgvuldig aan een glas rode wijn. Als hij groet komt zijn stem van ver, maar dit zijn nog steeds zijn feesten. En op de dansvloeren doet men zijn best voor hem. Alleen het meisje dat een prijs met het mooiste toilet won zit beneden, en huilt onder haar

.


opgestoken haar. Ze is er een beetje dronken van geworden. Maar wat geeft dat, meisje. Wankelde daarnet niet een paarse orchidee de trap af, een beetje lallend om deze en gene nek vallend? En riep daareven ook die schrijver-psycholoog niet uit dat hij zo zielig was, Voor dat hij tegen een meisje zonk? Het komt door het uur. Het is nu het uur van de hondewacht.
Luister. Metten Koornstra toetert. Hij toetert in de hal op een koperen tuba. Zijn hoofd wordt rood, zijn snor trilt, daverende ballen van geluid stoot hij uit. Voor zijn genoegen. En ondertussen danst men maar, op die drie dansvloeren.
Een meisje laat haar prachtig lichaam door haar groene jurk bibberen, zij is de schone van de avond. Verderop danst een blootvoetig paar een schuifeldans. De statige uitgever van christelijke boeken walst er met de dansschoolslag doorheen.
Maar dat alles zinkt in het niet bij dat ene paar. Bij die niet zo jonge, heel kleine vrouw, die zich als een meisje heeft opgemaakt, en die kleine, benige man. Zij huppelt en danst maar heen en weer. Als een elfje zo licht, sierlijk met de armen, een beetje zot en onvermoeibaar. En hij danst met haar mee. Haar tas bungelt aan zijn uitgestoken arm. Hij kan niet dansen. Maar uiterst geconcentreerd doet hij af en toe een felle stap voorwaarts, denkt, denkt diep na, en zet dwars tegen de muziek in weer een stap. Terwijl zijn vrouw verzaligd om hem heen fladdert, vecht hij een probleem uit. Zijn lange haar aan zijn slapen hangt los. Zijn gezicht is verstard van inspanning. En op zijn revers heeft hij een button gespeld met het opschrift: I hate work.
Dit is maar een gering stukje, meneer. Maar het weinige dat het is draag ik op aan u, die de hele avond danste als een dappere paraplubak.